Cultuurgeschiedenis

 

De Grieken en Romeinen

Het Griekse "Kouros"-type beeld is duidelijk terug te voeren op de Egyptische staande beelden. De Egyptische portretten lijken echter, ondanks de connectie met dit type beeld, verder geen directe voortzetting te vinden in de portretkunst van de latere Griekse en Romeinse perioden. De periode van de Grieken is de eerste periode in de geschiedenis van de Westerse samenleving die een duidelijke invloed heeft achter gelaten. Voor een deel is dat toe te schrijven aan de beeldende kunst die uit die tijd bewaard is gebleven, evenals geschriften van literatuur en wijsbegeerte. Belangrijker is dat we niet alleen deze elementen nog bezitten als op zichzelf staande elementen, maar dat we ook in staat zijn ze met elkaar te verbinden, en daardoor beter te begrijpen.


Fig. 14. De Sounion Kouros. Het is afkomstig uit 600 BC, en is 3,05 m hoog

De Grieken zijn ook de eersten waarbij we de namen van de kunstenaars, auteurs en wijsgeren tegenkomen. Niet alleen namen van schilders, maar ook beeldhouwers en bouwmeesters zijn terug te vinden op het gebied van de beeldende kunsten. Vanaf het begin van de 4e eeuw B.C. is er een samenhangende ontwikkeling gaande, waarin er een samenhang aan te tonen is tussen technische en stilistische voortuitgang, maatschappelijke en filosofische. Dit patroon wordt dan doorbroken in de Hellinistische tijd, toen de Griekse invloed zich vrijwel over de gehele bekende wereld uitspreidde, en door Alexander de Grote en zijn opvolgers in de verschillende delen van die wereld de Griekse beschaving werd uitgedragen.


Fig. 15. Munt met afbeelding van Alexander de Grote

De geschiedenis van de Griekse kunst is in grote lijnen in 4 perioden in te delen: beginnend met het Geometrische tijdvak (1000-700 BC), vervolgens de Archaïsche periode (700-500 BC), gevolgd door de Klassieke tijd (500-330 BC), en tenslotte het Hellinisme (330-146 BC). In 146 BC wordt Griekenland een provincie van het Romeinse Rijk, en komt er een einde aan de eigen cultuur van Griekenland. Onder de overheersing van Rome is de Griekse cultuur gedwongen op te gaan in de Romeinse cultuur, al neemt de laatste ook heel duidelijk elementen van de eerste over.


Fig. 16. De overgang van het geometrische naar het archaïsche tijdvlak wordt gemarkeerd door schilderingen van eenvoudige motieven en figuren

Bij de indeling in perioden van de Griekse cultuur is men in hoofdzaak uitgegaan van belangrijke cultuur-historische ontwikkelingen, en daarmee samenhangend, veranderingen op het gebied van de politiek, economie en de sociale structuur.

Het begin van de Griekse beschaving, de Geometrische periode, kenmerkt zich door een overgang van een nomadische samenleving, naar een samenleving die zich organiseert in blijvende vestigingen. Dit zorgde voor veel veranderingen, niet in de laatste plaats de overgang van een samenleving die met name van de veeteelt leefde, naar een samenleving die het moest hebben van de landbouw.


Fig. 17. Vaas uit de late Geometrische periode

In de periode die daar op volgt, de Archaïsche tijd, veranderden de onderlinge machtsverhoudingen, en kwam de macht te liggen bij de grootgrondbezitters. Maar niet alleen de manier waarop voedsel vergaard werd veranderde, naast de landbouw en de veeteelt komt ook de handel op, en ontstaan er bestuursstructuren zoals in Athene, waar het bestuur volledig in handen komt van een paar oude families.


Fig. 18. Bronzen helm uit Corynthië, 500 BC

In de Klassieke tijd zet deze ontwikkeling zich door, en neemt de verstedelijking toe als gevolg van de verdere ontwikkeling van de handel. Ieder stad of stadstaat, ook wel polis genoemd, bezit daarbij een eigen zelfstandigheid. De belangrijkste stadstaat van de vijfde eeuw is Athene, waar in die tijd al een bepaalde vorm van 'democratie', afgeleid van de woorden demos (volk) en kratos (macht). Hier moet wel bij opgemerkt worden, dat vrouwen en slaven niet tot het volk gerekend werden, en het bestuur dus alleen uit de in de bevolking aanwezige vrije mannen bestond.


Fig. 19. Stamnos uit Athene, ca 480 BC waarop Theseus staat die de Minotaurus doodt.

De gezamenlijke Griekse stadstaten hebben in deze tijd net de Perzische oorlogen achter de rug, waaruit zij als overwinnaars uit de bus kwamen. Gevoelens van trots en zelfrespect zijn dan ook sterk aanwezig, het sterkst in de polis Athene. Dat uit zich onder andere in het belangrijkste project onder leiding van Pericles, de wederopbouw van het Akropolis, het godsdienstige centrum van Athene, die onder de oorlog danig geleden had.


Fig. 20. Akropolis, westzijde van het Parthenon

Een ander belangrijk onderwerp van aandacht in die tijd zijn de theaters. Daar worden de toneelstukken opgevoerd die de waarden en normen van het stadsbestuur en de gevestigde orde verkondigden. Daarom was de entree gratis, en werden in sommige gevallen arbeiders zelfs doorbetaald tijdens het (verplichte) theaterbezoek. Met de inhoud van die stukken mogen de burgers zich niet bemoeien, de gevestigde orde betaalt voor het vermaak en bepaalt dan ook de inhoud en de boodschap. Voor het volkstoneel, waar men voor zijn plezier naar toe gaat, moet dan ook doorgaans wel betaald worden.

Iedere stadstaat had tenminste één theater, dat een groot aantal mensen moest kunnen bevatten, en waarbij de gesproken tekst ook op grote afstand nog goed hoorbaar moest zijn. Om die reden krijgen de theaters de vorm van een kom, die voor driekwart van de omtrek van een cirkel werd uitgehakt voor de tribunes. Het laatste deel werd gebruikt voor het toneel, waarbij de achterkant afgesloten werd door een decoratieve wand (skenae), die zowel als plaatsaanduiding als als klankbord dienst deed. Om het bereiken van de oplopende zitplaatsen gemakkelijk te maken, liepen er vanuit het midden straalsgewijs trappen van beneden naar boven, en was er halverwege een platform, zodat men ook nog naar links of rechts uit kon wijken. Deze opbouw is nog steeds terug te vinden in veel van onze moderne theaters en bioscopen. De theaters in de Griekse tijd konden vaak enorme hoeveelheden toeschouwers herbergen: in het theater van Epidauros konden ongeveer 14.000 mensen zitting nemen.


Fig. 21. Amfitheater van Epidauros

In de Hellinistische tijd is de handel de belangrijkste bron van inkomsten geworden. Door de intensivering van de handel gaat deze zich ook steeds verder geografisch verspreiden, en komen er invloeden van andere culturen op de Griekse cultuur af. Ook neemt de welvaart van de bevolking enorm toe in die tijd. Alexander de Grote is een van de belangrijkste figuren uit die tijd. In de Hellinistische tijd gaan kunstenaars doelbewust verouderde stijlen hergebruiken om hun werk interessanter te maken, en zien we het begin van een opdeling in genres: het groteske tegenover het heroïsche.

Opvallend in het Hellinisme is de sterke voorliefde voor stoffelijkheid. In een samenleving waar de belangrijkste bron van inkomsten via de handel verloopt is dat niet vreemd. Kooplust wordt in een handelsmaatschappij vaak opgewekt door nadrukkelijk te wijzen op bepaalde detaileigenschappen en bijzonderheden. Geleidelijk aan ontwikkelt men dan ook steeds meer oog voor dergelijke details.


Fig. 22. De Nike (Godin van de overwinning) van Samothrace, circa 200 BC

Ook wordt de compositie van het beeld anders opgebouwd in de Hellinistische tijd dan in de voorafgaande klassieke tijd. In de Hellinistische tijd wordt gebruik gemaakt van sterk schuine lijnen, en bovendien kruisen die lijnen elkaar denkbeeldig in de ruimte. Ook dit heeft te maken met de veranderende maatschappij: de succesvolle handelaar moet een uitgebreid inzicht hebben in de eventuele mogelijkheden, en zich deze ook voor kunnen stellen. Over het algemeen kan ook gesteld worden dat het werk uit de Hellinistische tijd veel meer emotionele uitstraling heeft, en daardoor toegankelijker is, dan het werk uit de klassieke periode.


Fig. 23. De Laocoön-groep: Agesander, Athanodorus en Polydoros

De stad Rome, en daarmee het Romeinse Rijk, is volgens de overlevering gesticht door de tweeling Romulus en Remus in het jaar 753 BC. De tweeling zouden zonen van de god Mars zijn, die door hun vader in een mandje in de rivier Tiber zouden zijn geworpen. Eenmaal aan land gespoeld, zou een wolvin hen opgenomen en gezoogd hebben. Dit wonderbaarlijke begin zou de verklaring zijn voor de kracht waarmee de stad Rome haar rijk regeerde.


Fig. 24. Romulus en Remus

Waarschijnlijk is de nederzetting, die later Rome zou worden, echter heel geleidelijk gegroeid. Als handelsplaats lag Rome heel gunstig aan de Tiber, waarvan de benedenloop redelijk bevaarbaar was. En ter hoogte van Rome lag een eiland in de rivier, via welke men eenvoudig aan de overkant kon komen en de rivier kon controleren.

Rome begon als koninkrijk, geregeerd door Etrusikische koningen, die echter in 510 BC verjaagd werden. De regering werd daarop overgenomen door het volk, het bestuur werd, naar Grieks model, in handen gelegd van iedereen, het werd een res (zaak) publica (iedereen), een republiek. In diezelfde tijd onstonden ook de democratie in Griekenland. De republikeinse tijd loopt dan van 510 - 27 BC.


Fig. 25. De Tempel van Portunus. Bouwwerk uit de periode van de Romeinse Republiek. (circa 175 BC)

Aanvankelijk ijvert het volk, de plebejers, er voor om dezelfde rechten te krijgen als de adel, de patriciërs. Op het moment dat die gelijkstelling volledig een feit is, komt de nadruk te liggen op het verschil in inkomen en bezit, en wordt het belang van iemand uitgedrukt door zijn vermogen. Tijdens de republiek ontwikkelt Rome zich niet alleen tot de hoofdstad van wat we nu als Italië kennen, maar onderwerpt zij ook gebieden van aangrenzende volkeren. De gebieden die zo veroverd worden, worden provincia genoemd. In 146 BC wordt het oude Griekenland zo de Provincia Achaia.

Het Romeinse Rijk kent haar hoogtepunt in het begin van de keizertijd, die begint met Octavianus die dan Augustus Caesar wordt. De periode van de keizers duurt ongeveer 500 jaar (27 BC tot 476 AD). Rome was toen heerser over alle gebieden die in die tijd bekend waren. Alle gebieden werden daarbij beïnvloed door de Romeinse beschaving, zij werden bewust geromaniseerd. Vanaf de tweede eeuw na Christus begint de macht van Rome steeds meer af te nemen, en ook de grenzen van het rijk worden dan in toenemende mate met succes aangevallen.


Fig. 26. Standbeeld van Octavianus als de eerste Augustus Caesar

Wanneer dan in de vierde eeuw na Christus vanuit het oosten een volksverhuizing op gang komt onder invloed van de aanhoudende aanvallen van de Hunnen, wordt in 395 het Imperium Romanum opgedeeld tussen twee keizers in het Westromeinse en het Oostromeinse Rijk. Aan het Westromeinse Rijk komt een einde in 476, wanneer een Germaanse legeraanvoerder de zwakke Romeinse keizer afzette en zichzelf tot Koning van de Germanen in Italië kroonde.

In het begin richt de Romeinse kunst zich met name op de ontwikkelingen zoals deze in Griekenland plaats vinden, en neemt deze over. De Romeinen hebben veel ontzag voor alles wat Grieks is. In de Romeinse sculptuur neemt het portret echter een opvallend grote plaats in. Waar het Griekse portret meer een uitbeelding van het innerlijk van de persoon is, is het Romeinse portret meer een accurate weergave van het uiterlijk voorkomen van de afgebeelde persoon. Ook is het Romeinse portret minder plastisch dan de Griekse portretten: het geheel ziet er harder en botachtiger uit, en ziet er daardoor steviger, krachtiger en werkelijkheidsgetrouwer uit.


Fig. 27. Portret van Julius Caesar, die leefde van 100 - 44 BC

In de laat-republikeinse en de vroege keizertijd streven de Romeinse schilder en beeldhouwer duidelijk hetzelfde doel na: het creëren van een illusie van de materiële werkelijkheid. Om dat te bereiken maken beiden bijvoorbeeld gebruik van technieken als overlapping, en het verkorte en het lineaire perspectief. En de schilder heeft daarnaast nog eens de beschikking over het gebruik van kleurentrapjes, de beeldhouwer maakt gebruik van de diepteverschillen.


Fig. 28. Muurschildering uit de Villa dei Vettii, Pompeï

Het belangrijkste moment in de Romeinse kunst is waarschijnlijk wanneer zij zich afzet tegen zowel het Griekse classicisme, als tegen de Hellinistische vermengingen die tot vormen van retoriek en aggresief realisme leidden. In plaats daarvan krijgt zij een meer schematisch karakter te krijgen, en richt zij zich meer op het bovenaardse. Deze ontwikkeling is te zien in de 3e eeuw na Christus. Voor deze belangrijke verandering zijn vele verklaringen genoemd. Een daarvan is de opkomst van andere godsdiensten, zoals het Christendom en andere mysterie-religies, zoals het mithraïsme. Een andere zijn de invloeden van de voortdurende aanvallen op de grenzen van het rijk.

Het Oostromeinse Rijk echter blijft nog lang voortbestaan, en het culturele zwaartepunt verplaatst zich dan ook van Rome naar Constantinopel, de belangrijkste stad van dat rijk. De stad werd in de vierde eeuw na Christus gesticht door Constantijn de Grote met de herbouw van Byzantium.